Geschiedenis van de Kaars

Geschiedenis van de Kaars

De geschiedenis van de kaars is eeuwenoud. Tijdens opgravingen zijn uit het graf van de Egyptische Farao Toetanchamon in de 14e eeuw voor Christus kandelaren en toortshouders gevonden. Men denkt dat de kaars later is ontstaan dan de olie- en vetlampjes.

In Midden-Italië woonden rond 1000 voor Christus de Etrusken, een ontwikkeld volk, die hun eigen taal hadden. Zij gebruikten een in pek, olie of vet gedrenkt touw. Dit is vermoedelijk het begin van de kaars. 

Tijdens het Romeinse Rijk (750 v Chr. – 476 n Chr.) gebruikte de eerste christelijke keizer, Constantijn de Grote (306-337), kaarsen bij de Paasviering. Deze kaarsen waren gemaakt van vet. Hiermee doet de kaars definitief zijn intrede. Koning Alfred de Grote (848/849-899) uit Engeland liet kaarsen vervaardigen uit bijenwas. 

De kwaliteit van de kaarsen in de oudheid is moeilijk in te schatten. Men onderscheidde twee soorten kaarsen: de vetkaars of te wel Sebacel en de waskaars of te wel Cerel. De Sebacel werd gemaakt van plantaardig of dierlijk vet terwijl de waskaars van bijenwas werd gemaakt. De Sebacel kaarsen brandden veel minder mooi, waren zacht, dropen enorm en verspreidden een onaangename geur. De Cerel, gemaakt uit bijenwas, had betere eigenschappen, maar was veel duurder. Hierdoor waren de bijenwas kaarsen voorbehouden aan de edelen en werden ze gebruikt voor godsdienstige doeleinden. 

De Engelsen zeggen dat Koning Alfred de Grote de kaarsklokken heeft uitgevonden. Alfred liet streepjes op de kaars zetten, die de uren voorstelden. Zo kon je zien hoeveel tijd er was verstreken sinds de kaars was aangestoken. Alfred had een echt tijdschema. Zo werkte hij 8 uur, studeerde hij 8 uur en sliep hij 8 uur. 

Na de val van het Romeinse Rijk, adopteerde de Katholieke Kerk het gebruik van waskaarsen. Er kwamen voorschriften die stelden dat in kerken en kloosters de kaarsen een minimum percentage aan bijenwas moesten bezitten. De kerk gebruikten de kaarsen van bijenwas niet alleen omdat die beter was, maar ook omdat bijen golden als maagdelijke dieren en die werden geassocieerd met de Heilige Maria. Het gebruik van kaarsen was voor de meeste mensen te duur en het gemiddelde huishouden gebruikte olielampen. 

In de Middeleeuwen (ca. 500 tot ca. 1500 n. Chr.) werd de kaars de voornaamste bron van verlichting. Kaarsenmaker was een hoogwaardig beroep en ze waren verenigd in het Kaarsenmakersgilde. Vanwege het brandgevaar was het gebruik van kaarsen als kunstverlichting voor het avondwerk vaak aan banden gelegd. De kaarsen brandden inmiddels regelmatig genoeg om als klok te worden gebruikt. Er waren 12- en 24- uurskaarsen verkrijgbaar. Vlak voor de 18 eeuw is de kaars in zijn hoogtedagen als lichtbron. Echter gedurende de 18e eeuw vindt er onder invloed van de groeiende wereldhandel en de industriële revolutie een technologische vernieuwing plaats. De vraag naar betere verlichting neemt toe. De visserij komt met de potvis. In zijn kop zit een vettige substantie: spemacid of walschot, dat voor betere kaarsen zorgt. 

In 1820 ontwikkeld de Fransman, Cambacere, de pit met gevlochten kantoen. Dit zorgt voor minder verkoling en walmen. Korte tijd later ontdekt een andere Fransman, Chevreul, stearinezuur en pamtinezuur. Deze substantie zorgt voor een significante afname van druipen van het vet. In 1830 ontdekt de wetenschapper baron Karl von Reichenbach (1788-1869) paraffine. Het wordt een populaire brandstof voor verlichting en verwarming van huizen, voordat de elektriciteit en gas dit overnemen. Het duurde echter tot 1850 voordat de Engelsman Young bedacht om paraffine voor kaarsen te gebruiken. Door paraffine te gebruiken worden kaarsen een stuk goedkoper en voor iedereen toegankelijk. Toch komen deze uitvindingen te laat, want in die periode worden er andere en betere vormen van verlichting ontdekt zoals gaslicht en petroleumlamp. 

Het verbeteren van de kaars blijft echter doorgaan. Tegenwoordig zijn paraffine en stearine de meest gebruikte stoffen om kaarsen van te maken. Stearine heeft de ideaalste verbrandeigenschappen. Het brandt lang en rustig en geeft een heldere vlam, zonder te walmen en te druipen. Stearine verandert bij 55 graden in een vloeibare substantie. Er ontstaat een holle kom met scherpe opstaande randen. Deze rand biedt ruime weerstand tegen druipen. Paraffine wordt bij 55 graden eerst week en vervolgens vloeibaar. De kaars krijgt hierdoor een weke rand en is minder bestand tegen druipen. Een paraffinekaars heeft de eigenschap om bij hoge temperaturen krom te trekken. 

De kaars heeft een andere status gekregen; die van sfeerverlichting, net als andere oude vormen van licht. Vrijwel ieder huishouden heeft kaarsen. Het staat symbool voor gezelligheid, feest, intimiteit en romantiek. Maar ook voor nadenken of ter nagedachtenis. Een kaars herbergt dit allemaal. De kaars heeft een lange geschiedenis die we niet mogen vergeten en die we in ere moeten blijven houden. 

Bekijk onze complete Kaarsen collectie.

Een Warm Lichtje 

Een kaars straalt Licht en warmte uit 
Is stil en maakt nooit een geluid 
Een kaars geeft je kracht 
Voor de dag of de nacht 

Symbool van liefde, warmte en licht 
Lieve kaars, ik brand je als een gedicht 
Laat nooit je vlam doven 
Laat me in je blijven geloven 

Blijf iedere dag stralen als een ster 
Heel dicht bij mij, of van ver 
Blijf stralen als een maan in de nacht 
Zorg voor lichtpracht en kracht 

Alle kaarsjes met vlammetjes van goud 
Je mag hier vertellen hoeveel je van iemand houdt 
Schrijf een liefdevolle wens 
Voor een dierbare of medemens 

Dit artikel is geplaatst in Merken op .